Posterse muziektermen

laatst aangepast: 17-10-2009 | 16:33

POSTERSE MUZIEKTERMEN

Voor het samenstellen van deze woordenlijst is als uitgangspunt genomen het artikel van Pierre Bakkes in Roerstreek 1986, pagina 22-29: Termen uit de Limburgse blaasmuziekwereld. Verder is een aantal voor het Posters relevante aanvullingen en aanpassingen verwerkt.
De lijst is samengesteld door dr. Henk Kars uit Posterholt. Met dank aan (voornamelijk) Richard Bonné, Pierre van Bree, Thuur van Bree, Jan Kruijtzer, Pierre Meijers en Sjra Roncken voor de geleverde informatie.
Deze woordenlijst is gepubliceerd in 
het boek Honderd jaar musiceren in Posterholt, kroniek van harmonie Wilhelmina 1898-1998.
Dr. Henk Kars is de auteur van het boek Posters Waordebook, dialect in Limburgs grensdorp Posterholt, uitgegeven in 2005.

verklaring tekens:
m = mannelijk woord (te gebruiken met de lidwoorden dae, eine)
v = vrouwelijk woord (te gebruiken met de lidwoorden die, ein)
o = onzijdig woord (te gebruiken met de lidwoorden ‘t, ein)
Fr. = ontleend aan het hierna genoemde Franse woord
spr. = spreek uit
0 = de ‘toonloze e’ of ‘sjwa’, zoals in ‘gedaan’
: na een klinker = lang uitgesproken klinker
‘ in de uitspraakaanduiding = de erna volgende lettergreep krijgt de
klemtoon                                                               

aafhouwe
De uitvoering van de muziek vóór het einde stopzetten; [mod.] aafsjlaon; aafsjwejje (bij trommel­korps).

aanzit m.
   Het beginpunt van een toon; aanzitte: een toon beginnen te spelen.

aanhawte
   Het lang spelen van één toon.

ammezjuur o.  (Fr.: embouchure).
   Juiste mondstand (lippen­spanning, tong, kaak enz.) en ademtechniek voor het bespelen van een blaasinstrument. Sjmorges höbs se neet zon good ammezjuur.

aovendkonzaer, aovendkonzert o.
   Het concert van de laatst optredende vereniging op een muziekfeest. Het was een eer dit te mogen geven.

avusjpele (Fr.: à vue)
   Muziek spelen die je voor de eerste keer leest.

aw sjtökker
   Opgewekte en melodieuze stukken uit vroeger dagen (voornamelijk ouvertures van Franse opéras comiques, werken van Rossini en de jonge Verdi)

baeker m.
   Het breed uitlopende uiteinde van een blaas­instrument.

bäöme: zie foeze, pave.

bas m.
   Bastuba (bombardon). Het laagst gestemde instrument van de vere­ni­ging. Te onderscheiden in kleine bas (esbas) en grote bas (besbas).

bemol (spr. b0mol)
   Mol; teken dat een noot verlaagd wordt met een halve toonafstand.

bezitting  v.
   Bezetting, samenstelling van een orkest. Die hawen 'n goow bezitting.

bók m.

      Verhoging waarop de dirigent staat tijdens de repetitie.

bönkes o.
   consumptiebonnen, uitgereikt na een  muziek­opvoering of muzikale optocht.

bróddele
   Het onnauwkeurig uitvoeren van de muziek (ook knóddele, knooie).

bugel m. (Fr.: bugle)
   Het voornaamste melodie-instrument in fanfares; komt weinig voor in harmonieën. Esbugel, besbugel.

dèksele

   Bekkens, cimbalen (slaginstrumenten, bestaande uit één of twee concave koperen schijven). De dèksele sjlaon/houwe.

diek sjpele
   1. Het minder scherp articuleren of ‘aanzitte’ (zie sjpits sjpele). 2. Het spelen van eenzelfde toon door meerdere muzikanten.

dieke tróm v.
   Grote trom.

dieke trómdraeger m.
  Man die de dieke tróm op de rug droeg.

dirrektuur, dirizjent, dirigent m. (Fr.: directeur)
   Dirigent.

doorsjpele
   Een muziekstuk tijdens een repetitie zonder onderbreking uitspelen.

drapo, drepo m. (spr. dr0’po) (Fr.: drapeau)
   Vast gedragen (opgespannen) vaandel. Te on­der­scheiden van vaan: deze wappert.

drapodraeger, porde-drepo m. (Fr.: porte-drapeau)
   Degene die het vaandel voor de vereniging uitdraagt, bij muzikale optochten.

draposjtek m.
   Ronde stok waaraan de drapeau gedragen wordt.

drieve
   1. de toon hoger maken door de lippen meer te spannen: ómhoog drieve; 2. het tempo te hoog opvoeren (jage). Doe mós neet zo drieve, man!

duje
   De stembuis van het blaasinstrument induwen, zodat de toon hoger wordt (zie trèkke).

dun sjpele
   Het spelen van een zelfde toon door een gering aantal muzikanten.

famfaar v.
   Fanfare; orkest bestaande uit bespelers van koperen blaasinstrumenten, saxofoons en slag­werk.  De benaming wordt ook gebruikt voor de gehele vereniging, d.w.z. het orkest, met tamboer-maître, drumband, drapodraeger, bestuur, leden, ereleden, ere­bestuur en dames­comité.

fepe, fiepe, fiempe, piepe
   Ongecontroleerd hoge geluiden maken, vooral bij het ‘omslaan’ van het riet bij instrumenten met een riet. Mit vastelaovend heurs se väöl luuj mer get fepe.

flatsje
   Het mislukken van een toon of muziekpassage. Dao fladzjde mich toch die toon weer! (ook wel dao kwaam mich 'ne noot ónger de poot!).

flötsje o.
   Piccolo.

foeze
   Zeer hard op een (meestal grote) trom slaan. Oppe tróm foeze. Wel eens spottend becom­mentarieerd met het ritme-nabootsende: Baer vuur nieks, Foez'm, foez'm, foez'm!. Ook: bäöme, pave.

gam v.

   De toonladder van c-majeur, van do omhoog­gaand naar do één octaaf hoger, en weer terug. Esse de gam kons sjpele, moogs se bie de hermonie.

ginneraal repetiese v. (ook wel ginnerale v.)
   Generale repetitie. De lèste daag veur ‘t konkoer hawte v’r de ginnerale.

greep v.
   Vingerzetting voor een toon. Griepe. Doe grieps verkeerd.

groepsrepetiese v. of  pertierepetiese v.
   Repetitie voor bepaalde instrumenten, bijv. voor ‘t koper, ‘t hout, ‘t sjlaagwèrk.

haore o.
   Algemene benaming van niet-kenners voor koperen blaasinstrumenten. Welk haore bleus doe?

hermenie v.
   Harmonie; orkest bestaande uit bespelers van houten en koperen blaasinstrumenten en slagwerk, meestal zonder bugels en soms aangevuld met contrabassen (strijkbassen). De benaming geldt ook voor de vere­ni­ging als totaliteit.

hout o., (soms houtwèrk o.)
   Verzamelnaam voor alle houten blaasinstru­menten. Vanaovend is groeps­repetiese veur 't houtwèrk.

houwe
   Slaan. De dieke tróm houwe/sjlaon.

insjpele
   Allerlaatste voorbereiding voor het optreden op een concours: een muziekstuk spelen, de instru­menten stemmen, laatste aanwijzingen van de dirigent enz.

inzit m.
   De inzet van een muziekstuk, of van een passage eruit.

inzitte
   Inzetten aan het begin van een muziekstuk, of, na een periode van rust weer mee gaan musiceren. Det mós se oppe goow plaats inzitte.

jage: zie drieve.

ketsje
   Het niet treffen van de juiste toon op koperen blaasinstrumenten, vooral in het hoge register. Dae ketsj alles d’rnaeve. (zie ómsjlaon).

keugel
   Speeksel in het instrument. Doe höbs keugel drin.

kios o.
   ‘Muziektent’ (muziekpodium met vaste over­kapping).

klarenet  v.
   Klarinet.

knóddele: zie bróddele. Doe knóddels mer get.

knooie
   Het onnauwkeurig uitvoeren van de muziek die op de partij staat. Dao bös se mich weer get biejein aan 't knooie!.

kónzaer, kónzert o.
   Muziekuitvoering.

koper o. (soms koperwèrk)
   Verzamelnaam voor alle koperen blaasin­stru­menten.

kor m. (Fr.: cor).
   Franse benaming voor hoorn.

krake: zie sjeure.

kruuts o.
   Kruis; teken dat een noot met een halve toonafstand verhoogd dient te worden.

kuus m.
   1. ‘sjlaeger veur de dieke tróm’: stok met verdikt uiteinde; 2. tamboer-majoorstok.

lier v.
   Kleine muziekstandaard die op het instrument (voor fluiten op de linkerarm) bevestigd kan worden. Waem gein lier haet, mót zich mèlje.

lokmars m.
   (Duits: locke Marsch). Verbindend stukje, gespeeld door trommelkorps en drumband, tussen een mars en de muziek van de harmonie.

luiperke o.
   Muziekpassage waarin veel korte tonen snel achter elkaar gespeeld moeten worden. Ook: riedelke. Geer mót uch det luiperke ins duchtig oefene.

make
   1. het spelen van een muziekstuk; 2. get make: iets presteren op een concours. Ich bön benuujd wat v'r make.

maotvas
   Maatvast. Zo maotvas wie 'n hoes.

meziek v.
   Muziek.

meziekfees o.
   Muziekfeest.

milledie v. (Fr.: mélodie).
   Melodie.

móndjsjtök o.
   Mondstuk (voorstuk) van blaasinstrument; bij klarinet of saxofoon spreekt men van bek.

naturel
   Zonder kruisen of mollen. Det is ein fa-naturel.

naoketsje, naokiepe: zie naosjlaag

naosjlaag m.
   1. begeleidingsfiguur na de zware tel in de maat (naoketsje, naokiepe is de naosjlaag sjpele); ook aanduiding voor de groep muzi­kanten die naslag moest spelen (meestal ‘tweede’ of derde pertie’); 2. verbindende versiering, meestal ter afsluiting van een triller.

oetdunne
   Het aantal musici dat een passage speelt beperken. Zie dun sjpele.

oetsjpanne
   Het ontbinden van de troep na de optocht. Bie kefee ... sjpanne v’r oet.

ómsjlaon
   Overslaan (plotseling in een hogere toon over­gaan). De toon sjleit óm (zie fepe, ketsje).

optrèkke
   Lopen terwijl men muziek maakt. De hermenie trèk op.

pave: zie bäöme, foeze.
   Dae paafde d'r flink op los.

pendork m. (Fr.: point d'orgue).
   Fermate; teken dat aan­geeft dat de toon net zo lang moet duren als de dirigent aangeeft.

pepieter m. (Fr.: pupître).
   Muzieklessenaar.

pertie v. (Fr.: partie).
   1. De muziek zoals die op papier genoteerd is.

   2. Iersjte pertie: de groep muzikanten die de melodie, de hogere tonen spelen; twidde en derde pertie: muzikanten die de lagere tonen spelen en die daarom veel moeten tèlle.

pertierepetiese v.
   Groepsrepetitie.

piepe: zie fepe.

pieston, piston m., (klemtoon op -ton; Fr.: cornet à pistons)
   1. cornet (kleine hoorn met ventielen); 2. ventiel (zie tap).

pómp v.
   Gebogen buis onder elk ventiel (piston) van een koperen instrument. Kan uit het instrument getrokken worden als er speeksel (sjpie) in de buis zit. De pómp trèkke.

reetsje o.
   riet (van saxofoons, klarinetten, hobo's, fagotten).

repetiese v, (spr. r0p0ti:s0), repetisie v.
   Repetitie.

riedelke: zie luiperke

rös v.
   Rust; gedeelte in muziekstuk waarin een musi­cus niet speelt omdat de partituur dat zo aan­geeft. Ich höb 27 maote rös.

sernaatje o. (Fr.: sérénade).
   Verkleinwoord van ‘sernaad’ (weinig gebruikt): serenade; avondlijk muzikaal huldeblijk, veelal bestaande uit drie marsen afgewisseld met toespraken. ‘n Sernaatje bringe.

sinkoop v.
   Syncope: ritmische figuur bestaande uit het wegvallen van een ritmisch of metrisch accent dat men wel verwachtte; door deze ver­schui­ving van het accent ontstaat een ritme dat tegen de maat ingaat. Een vorm van sinkoop is het nao de tèl sjpele of taenge de milledie sjpele.

sjelleboum m.
   Schellenboom; een rijk versierde stok met bellen en schellen die in optochten vooraan wordt gedragen.

sjeure
   Veel te schelle tonen produceren, vooral op de trompet. Doe moogs neet sjeure. Ook: krake.

sjlaagwèrk o.

   De gezamenlijke slaginstrumenten van een muziekgezelschap. Tevens aanduiding voor de groep bespelers ervan.

sjrómpe
   Een instrument erg onmuzikaal bespelen. Dae sjrómpde mich get raak.

sjpele

   Muziek maken; een muziekinstrument bespelen; een muziekstuk ten gehore brengen.

sjpits sjpele
  Scherp articuleren (zie diek sjpele).

sjrothoup m.
   Scheldwoord voor een blaasmuziekvereniging.

sjtrement o. (spr. sjtr0’ment)
   Instrument.

sjtumbuus v.
   Stembuis (zie trèkke, duje).

sjtumme
   Stemmen: het op de juiste toonhoogte brengen van muziekinstrumenten.

tamboer m.
   Tamboer. Ook: trómmelaer.

tambermaeter, tamboermaeter m.
   Tambour-maître (Fr.).

tap m.
   ventiel van een cornet (zie pieston). Dae tap blief mich zitte.

tèl m.
   1. Teleenheid, bepaald door de notenwaarde aangegeven in het maatteken; bijv. in het maatteken ¾ is de kwartnoot de teleenheid. 2. Het benadrukte maatdeel in de uit te voeren muziek; oppe tèl sjpele (veursjlaag sjpele), nao de tèl sjpele (naosjlaag sjpele) (zie sinkoop)

tèlle

   Aangegeven rustperiodes uittellen. Doe bös te laat, doe mós die röste ouch tèlle.

tóngsjlaag m.
   Tongslag; bij blaasinstrumenten onderbreking van de ademstroom door een afsluitende bewe­ging van de tong: manier om snel opeen­volgende tonen te spelen. Inkele tóng­sjlaag (tweedelig), döbbele tóngsjlaag (driedelig).

träöt v.
   Spotnaam voor koperen blaasinstrument (eigenlijk: ‘toeter’).

träöte
   Spottende benaming voor blaasmuziek maken; op een blaasinstrument proberen te spelen zonder dat men de blaastechniek daarvoor beheerst (eigenlijk: ‘toeteren’). Dae träöt mich get aaf.

troep m.
   Degenen die meespelen in het officiële orkest van de vereniging (‘de grote harmonie’). V’r kwame bie de troep (dan was men pas volwaardig musicus). Ook: groep. ‘t Is ‘ne sjone troep.

trèkke

   1. de stembuis van het instrument uittrekken, waardoor de toon lager wordt (zie duje); 2. in optocht gaan. De hermenie trèk door ‘t dörp.

trombon, tromboon v.
   Trombone.

trómmekerke, trómkerke, trómmewaegelke o.
   Karretje waarop de grote trom werd meege­voerd tijdens muzikale wandelingen. Veelal getrokken door een jongen.

vaan v.
   Vaandel (zie drapo). De termen ‘vaan’ en ‘drapo’ worden vaak door elkaar gebruikt. Waem löp vandaag mitte vaan?

vaandraeger m.
   Vaandeldrager.

veursjlaag m.
   Versiering vlak vóór de tel (zie tèl 2).

veurteike o.
   Voorteken (zie kruuts en  bemol). Aanduiding dat een bepaalde genoteerde noot verhoogd of verlaagd moet worden. Er zijn veurteikes ane sjleutel (vooraan de notenbalk) en toevallige veurteikes  (voortekens  bij een bepaalde noot).

weifees o.
   Muziekuitvoering in een weiland, waar een muziek­podium was opgesteld en een tapgele­genheid ingericht.